In de Orthodoxe traditie worden zonde, kwaad, leed en dood niet gezien als onderdelen van Gods oorspronkelijke schepping, maar als tragische bijproducten van de vrije wil die Hij aan engelen en mensen heeft geschonken. Zoals in de oorspronkelijke uitleg waar deze blog op gebaseerd is, staat namelijk: “Het kwaad kan je eigenlijk beschouwen als een parasiet op een perfecte schepping.” Deze gedachte vormt de kern van de Oosters-Orthodoxe visie: kwaad is geen zelfstandige kracht of substantie, maar een verstoring en ontbreken van het goede.
De schepping: volmaakt goed
Genesis 1:31 beschrijft de schepping als “zeer goed”. In deze oorspronkelijke harmonie was geen spoor van kwaad, lijden, ziekte of dood. De Kerkvaders benadrukken dat kwaad geen eigen wezen heeft. St. Augustinus noemde het een privatio boni, een ontbreken van het goede — een inzicht dat in de Orthodoxie wordt gedeeld, hoewel het hier wordt geïntegreerd in een bredere visie op voorouderlijke zonde (ancestral sin) in plaats van erfzonde als inherente schuld, zoals vaak in het Westerse Christendom voorkomt. Fr. Kallistos Ware verwoordt het scherp in The Orthodox Way: kwaad is een parasiet dat alleen kan bestaan door zich vast te klampen aan het goede. Het heeft geen eigen scheppingskracht en parasiteert op Gods volmaakte schepping.
Vrije wil en de val
De mens werd geschapen voor een liefdevolle communie met God. Ware liefde vereist vrijheid d.w.z. vrije wil; zonder vrije wil zou de relatie gedwongen zijn. De keuze van Adam en Eva om te eten van de boom van kennis van goed en kwaad (Genesis 3) was geen louter juridische overtreding, maar een verbreking van de harmonie met God. Paulus schrijft in Romeinen 5:12 dat door één mens de zonde en de dood de wereld binnenkwamen — niet als goddelijke straf, maar als natuurlijk gevolg van het afwijken van Gods levengevende wil.
St. Irenaeus van Lyon zag deze val niet als een definitieve catastrofe, maar als onderdeel van een groter proces van groei: door ervaring leert de mens en wordt hij uiteindelijk geroepen tot theosis, de vergoddelijking door genade.
De rol van de duivel
De duivel is in de Orthodoxe leer geen bron van kwaad op zichzelf, maar een gevallen engel die zijn vrije wil misbruikte. Zoals eerder vermeld: “De duivel heeft tijdelijk deze macht gekregen om ons inderdaad op de proef te stellen… een bijkomend effect op een perfecte schepping.” Ezechiël 28 en Jesaja 14 beschrijven symbolisch zijn val. In tegenstelling tot de mens kan een engel niet terugkeren door berouw; zijn keuze is definitief. Zijn invloed is geen opdracht van God, maar een tolerantie binnen de grenzen van de vrije wil. Het boek Job illustreert dit: Satan test Job met Gods toestemming, maar niet op Gods initiatief (Job 1:6–12).
De duivel is dus niet de personificatie van het kwaad zelf — dat zou een dualisme impliceren tussen goed en kwaad, wat de Orthodoxie resoluut afwijst. God is volmaakt goed (Jakobus 1:17), en uit Hem kan geen kwaad voortkomen.
Menselijke verantwoordelijkheid
Hoewel de duivel verleidt, is het kwaad in de wereld primair het gevolg van menselijke keuzes. De mens kiest vaak voor het slechte, en de duivel versterkt die neiging door fluisteringen en verleidingen. Maar God dwingt niemand — Hij respecteert de vrijheid die Hij heeft gegeven. Zoals 2 Petrus 3:9 zegt: Hij wil niet dat iemand verloren gaat, maar dat allen tot bekering komen.
Christus en het herstel van de schepping
De mens viel, maar God liet de schepping niet in corruptie achter. St. Athanasius beschrijft in Over de Incarnatie hoe Christus mens werd om de dood te vernietigen en de mens te herstellen. Door Zijn opstanding wordt de sterfelijkheid overwonnen en opent zich de weg naar theosis.
Theosis is geen beloning, maar een terugkeer naar onze oorspronkelijke bestemming. Paulus beschrijft deze transformatie in 2 Korinthiërs 3:18: “wij allen nu, die met onbedekt gezicht de heerlijkheid van de Heere als in een spiegel aanschouwen, worden van gedaante veranderd naar hetzelfde beeld.” Dit proces betekent dat we door Gods ongeschapen energieën (energeia) deelgenoten worden aan de goddelijke natuur (2 Petrus 1:4), zonder ooit deel te krijgen aan Zijn ontoegankelijke essentie (ousia). Dit onderscheid — essentie versus energieën — waarborgt Gods transcendentie en tegelijk onze echte unie met Hem door genade, zonder pantheïsme of versmelting.
Hemel en hel: staten van zijn
In de Orthodoxe visie schept God geen hel als strafplaats. De hel is een staat van zelfgekozen scheiding van God, veroorzaakt door onberouwvolle zonden en afstand van Hem. De hemel is evenmin een beloning, maar de natuurlijke staat van de mens die in communie met God leeft.
Fr. Kallistos Ware beschrijft dit prachtig: Gods liefde is één en dezelfde, maar wordt verschillend ervaren — als licht door de heiligen, als vuur door degenen die zich van Hem afkeren (vgl. Hebreeën 12:29, “onze God is een verterend vuur”).
De uiteindelijke overwinning
Zonde, kwaad, leed en dood zijn tijdelijk. Ze zijn parasieten op een perfecte schepping, toegelaten omwille van de vrije wil, maar overwonnen door Christus. De Orthodoxe traditie ziet de geschiedenis als een beweging naar herstel.
Openbaring 21:4 geeft de belofte die alles samenvat: “Hij zal alle tranen uit hun ogen wissen, en de dood zal er niet meer zijn; ook geen rouw, jammerklacht of moeite zal er meer zijn.”
Tot die tijd worden we geroepen tot berouw, gebed, liefde en deelname aan de sacramenten — de weg terug naar de oorspronkelijke goedheid waarin de mens werd geschapen.
Reactie plaatsen
Reacties