De Schisma tussen de Oosters Orthodoxe Kerk en de Oriëntaalse Kerk

Gepubliceerd op 16 maart 2026 om 17:30

Basis (Chalcedonische visie) 

Christus is de eeuwige Zoon van God, een van de drie hypostasen van de Drie-eenheid, en blijft onveranderlijk: gisteren, vandaag en tot in eeuwigheid (Hebreeën 13:8).
Voor de incarnatie bestond Christus uitsluitend als de goddelijke hypostase met Zijn goddelijke natuur. Na de incarnatie bleef de goddelijke hypostase (de persoon van de Zoon) onveranderd, maar deze is nu onlosmakelijk verbonden met zowel de goddelijke als de menselijke natuur (hypostatische unie).
De menselijke natuur van Christus heeft geen eigen, zelfstandige hypostase of onafhankelijk persoonlijk bestaan; het mens-zijn van Christus is volledig opgenomen in de goddelijke hypostase van de Zoon. Dit concept wordt aangeduid als geënhypostaseerd (enhypostaton): de menselijke natuur bestaat concreet en volledig, maar alleen gehypostatiseerd in de persoon van het Woord.


Oriëntaal (miaphysitische) objectie
Oriëntaal (niet-chalcedonische) orthodoxen beweren dat wanneer men spreekt over een volledige menselijke natuur in Christus, er logischerwijs ook een bijbehorende menselijke hypostase moet worden aangenomen.
Voor hen klinkt het bespreken van twee naturen na de incarnatie alsof men impliciet twee hypostasen aanneemt. Dit zou neerkomen op de ketterij van het nestorianisme (twee personen/subjecten in Christus). Daarom beschuldigen hun heiligen (zoals Severus van Antiochië) chalcedoniërs vaak van nestoriaanse tendensen.


Waarom wij deze aanname niet accepteren
Als chalcedoniërs geloven wij dat Jezus in alles gelijk was aan ons, behalve in de zonde (Hebreeën 4:15). Desondanks ontkennen wij dat Hij een zelfstandige menselijke hypostase bezat. Een belangrijke reden hiervoor is dat Hij geen gnomische wil had.
De term ‘gnomische wil’ (volgens Maximus de Belijder) verwijst naar de gevallen manier van willen: een deliberatieve, twijfelende wil die, als gevolg van de zondeval, moet kiezen tussen goed en kwaad, vaak gekenmerkt door twijfel, onwetendheid of een neiging naar het kwade. Christus, als goddelijke hypostase, kende deze gnomische modus van willen niet; Hij wist altijd onmiddellijk en volmaakt wat het goede was, zonder enige deliberatie of innerlijk conflict.
Het is belangrijk op te merken dat wij wél geloven dat Jezus Christus een vrije natuurlijke menselijke wil had (thelesis physike). Het onderscheid ligt specifiek in de manier (tropos) van willen: de gevallen menselijke hypostase moet voortdurend worstelen en differentiëren tussen goed en kwaad; Christus' menselijke wil was daarentegen volmaakt gericht op het goede, zonder die strijd.


Oriëntaalse Theologie: Een Miaphysitisch Perspectief Samengevat
Oriëntaalse orthodoxen geloven dat Christus één samengestelde hypostase is, voortgekomen uit de verenigde goddelijke en menselijke natuur. Dit wordt vaak samengevat als "één natuur uit twee naturen" (mia physis ek duo physeon). In deze visie blijft de goddelijke natuur of hypostase primair, terwijl de menselijke natuur volledig is opgenomen binnen deze enkele hypostase, en niet onafhankelijk bestaat.
Hun opvatting stelt dat de menselijke natuur volledig functioneert onder de ene hypostase, wat hen ertoe leidt om geen aparte menselijke hypostase te tellen. Ze benadrukken dat de eigenschappen van beide naturen onvermengd en onveranderd blijven, maar spreken bij voorkeur over één geünificeerde realiteit.
Wat betreft de wil: moderne Oriëntaalse theologen aanvaarden vaak twee natuurlijke willen – goddelijke en menselijke – die verenigd zijn in één theandrische (god-menselijke) werking. Klassieke miaphysitische teksten neigen sterker naar het idee van één wil of een volmaakte harmonie/subordinatie, waarbij sommige schrijvers expliciet een gnomische of deliberatieve wil in Christus ontkennen (vergelijkbaar met de opvattingen van Maximus). Er is echter geen uniforme leerstelling dat Christus "geen vrije menselijke wil" zou hebben; in plaats daarvan wordt de perfecte eenheid en harmonie van de willen benadrukt.


Onze Kritiek
Wanneer men beweert dat de menselijke wil in Christus volledig ondergeschikt is aan de goddelijke wil en dat er geen ruimte is voor eigen vrijheid, roept dat de vraag op: hoe kon Christus dan werkelijk als mens zijn, net zoals wij, met uitzondering van de zonde? Is een vrije menselijke wil niet cruciaal voor ware menselijkheid? Dit omvat immers de mogelijkheid tot gehoorzaamheid zonder dwang, zoals blijkt uit Christus’ woorden in Getsemane: “Niet mijn wil, maar Uw wil geschiede” (Lucas 22:42).
Als God inderdaad de menselijke wil in Christus kon overrulen, waarom zou Hij dat dan niet ook bij ons doen? Dit zou impliceren dat God onze vrije wil kan dwingen tot bekering. Dit roept vragen op over teksten zoals 2 Petrus 3:9:
“De Heere stelt de belofte niet uit, zoals sommigen menen, maar Hij heeft geduld met ons en wil niet dat enigen verloren gaan; Hij wil dat allen tot bekering komen.”
Als God ieders vrije wil zou kunnen overrulen én Hij verlangt dat iedereen gered wordt, waarom redt Hij dan niet iedereen? Dit zou immers leiden tot het universalisme, dat door de Oriëntale kerken als ketterij wordt beschouwd.


Samenvatting
Oriëntaalse miaphysieten geloven vaak dat Christus bestaat als één samengestelde hypostase, voortkomend uit twee (goddelijke en menselijke) realiteiten, met één verenigde werking. Wij, de chalcedoniërs, verkondigen echter dat Jezus één goddelijke hypostase is (de eeuwige Zoon), waarin de menselijke natuur volledig is geënhypostaseerd. Ironisch genoeg zien wij het concept van "twee hypostasen" als verbonden met het nestorianisme, omdat hypostase voor ons "persoon/subject" betekent. Net zoals de Vader, de Zoon en de Heilige Geest drie distincte hypostasen (personen) vormen, is Christus altijd slechts één persoon/subject – goddelijk en menselijk, in twee naturen, zonder verwarring, verandering, deling of scheiding.

 

Geschiedenis

  • Concilie van Constantinopel (381)
    Dit concilie, ook wel het Tweede Oecumenische Concilie genoemd, veroordeelde verschillende ketterijen, waaronder het apollinarisme van Apollinarius van Laodicea. Apollinarius stelde dat Christus wel een menselijk lichaam en een gevoelige ziel bezat, maar geen menselijke rationele ziel of geest (nous); deze zou volledig vervangen zijn door de goddelijke Logos. Hierdoor ontkende hij de volledige menselijkheid van Christus.
    Na zijn veroordeling is het bekend dat volgelingen van Apollinarius (of hijzelf) teksten vervalsten. Zij schreven werken toe aan vooraanstaande kerkvaders zoals Athanasius, Julius I en Gregorius Thaumaturgus, waarin de term “één natuur” (mia physis) voorkomt, om hun eigen leer te legitimeren. Deze zogenaamde “Apollinariaanse vervalsingen” (forgeries of the Apollinarians) zouden later een belangrijke rol spelen in de miaphysitische traditie en werden in de 6e eeuw ontmaskerd, onder andere door Leontius van Byzantium in zijn werk Adversus fraudes Apollinistarum.
    Een belangrijke figuur op dit concilie was de theoloog Gregorius van Nazianze, die toen patriarch van Constantinopel was. Hij sprak expliciet over Christus als zijnde “in twee naturen”. In zijn brieven en oraties, zoals Brief 101 en de theologische oraties, benadrukt hij de volledige menselijkheid (inclusief menselijke ziel en geest) en goddelijkheid, verenigd in één persoon, zonder verwarring. Hij formuleert dat hetgeen dat niet is aangenomen, ook niet kan worden genezen (“wat niet is aangenomen, is niet genezen” – in zijn verweer tegen Apollinarius).

 

  • Concilie van Efeze I (431)
    Onder leiding van Cyrillus van Alexandrië werd Nestorius, de patriarch van Constantinopel en afkomstig uit de Antiochië-school, veroordeeld en afgezet.
    Nestorius stelde dat Christus twee aparte naturen had: een goddelijke en een menselijke. Deze zouden zo verschillend zijn dat ze corresponderen met twee hypostasen of personen: een goddelijke hypostase (de Logos) en een menselijke hypostase (de man Jezus van Nazareth). Dit leidde tot een losse, morele of conjunctieve eenheid (prosopic union of conjoined realities) in plaats van een hypostatische unie.
    Hij verwierp de titel Theotokos (“Moeder Gods”) voor Maria en gaf de voorkeur aan Christotokos (“Moeder van Christus”) of soms aan Anthropotokos (“Moeder van de mens”). Volgens Nestorius was Maria slechts de moeder van de menselijke natuur of persoon, niet van de goddelijke hypostase. Deze visie leidde tot een te grote scheiding van de eenheid van Christus, alsof er twee subjecten waren.
    In de chalcedonische opvatting (zoals eerder uitgelegd) is Maria wél Theotokos: zij baarde de ene goddelijke persoon (hypostase) van de Zoon, die de menselijke natuur volledig aannam en geënhypostaseerd heeft in Zichzelf. Men kan alleen moeder zijn van een concrete persoon of hypostase, niet van een abstracte natuur. De menselijke natuur bestaat niet op zichzelf, maar is concreet in de eeuwige hypostase van de Zoon – vandaar de titel Theotokos, zonder dat dit de goddelijkheid van Maria impliceert.

 

  • 431–433: Het Nasleep van het Concilie van Efeze I
    Na het concilie ontstond er veel onrust over de afhandeling. Het bisdom Antiochië, vaak geassocieerd met de "Oosterse" leer, werd verdacht van nestoriaanse sympathieën. De vertegenwoordigers uit Antiochië arriveerden veel later dan gepland, waardoor het concilie zonder hen van start ging. Dit gebeurde omdat zij, ondanks een uitstel van 16 dagen, hun komst nog altijd niet hadden bevestigd na het verstrijken van de tweede deadline.
    Deze situatie leidde tot wederzijdse excommunicaties: het Alexandrijnse kamp van Cyrillus en de Antiochiërs vervielen tijdelijk in excommunicatie vanwege hun geschillen en de gang van zaken in Efeze.
    In 433 werd de vrede hersteld met de ondertekening van de Formula of Reunion (ook wel bekend als Formula Unionis), een akkoord tussen Cyrillus van Alexandrië en Johannes van Antiochië. In dit document werd expliciet bevestigd dat men kan spreken van twee naturen in Christus, verenigd zonder verwarring in één persoon (de eenheid van persoon/prosopon). De leer van Nestorius werd verworpen als onjuist. Beide partijen herstelden de communie. Belangrijke citaten uit de Formula zijn:
    "Wij belijden onze Heer Jezus Christus, de eniggeboren Zoon van God, volmaakt God en volmaakt mens, bestaande uit een redelijke ziel en een lichaam... consubstantieel met de Vader naar de goddelijkheid en consubstantieel met ons naar de menselijkheid. Want de eenwording (henosis) van de twee naturen heeft plaatsgevonden. Vandaar belijden wij één Christus, één Zoon, één Heer. [...] In onze opvatting van een eenwording zonder verwarring belijden wij de heilige Maagd als Theotokos..."
    Dit document benadrukt de eenheid van persoon, de titel van Theotokos voor Maria, en het onderscheid in de naturen bij het toeschrijven van eigenschappen (sommige uitspraken "zoals op één persoon", andere "zoals op twee naturen").

 

  • 433–444
    Na de acceptatie van de twee-naturenformule in de Formula of Reunion, gebruikte Cyrillus vaker de term mia physis tou Theou Logou sesarkōmenē ("één vleesgeworden natuur van God het Woord"). Deze uitdrukking bleek afkomstig uit vervalste geschriften, die aan Athanasius of anderen waren toegeschreven (de zogenaamde Apollinariaanse vervalsingen), maar Cyrillus citeerde ze onbewust als authentiek.
    Volgens de chalcedonische interpretatie gaf Cyrillus hieraan een orthodoxe betekenis: "natuur" (physis) verwijst naar de concrete, samengestelde realiteit van de persoon Christus, en niet naar een gemengde natuur. Deze formulering was bedoeld om de eenheid krachtig te benadrukken tegen de scheiding die door het nestorianisme werd veroorzaakt.
    Cyrillus verdedigde zich met deze frase ook tegen de radicale miafysieten, die hem beschuldigden het geloof van Efeze I te hebben verraden door de Formula te aanvaarden en de communie met Antiochië te herstellen.
    In 444 overleed Cyrillus en werd hij opgevolgd door Dioscorus van Alexandrië.

 

  • 448
    Archimandriet Eutyches werd op een lokale synode in Constantinopel (november 448) door patriarch Flavianus veroordeeld en afgezet. Hij betoogde dat, na de incarnatie, de menselijke natuur opging in de goddelijke natuur, een opvatting die doet denken aan apollinariaanse tendensen, waarbij er sprake is van één natuur na de eenwording, met een mengeling van de twee.
    Tijdens de synode werd Eutyches gedwongen te verklaren dat Christus vóór en na de eenwording over twee naturen beschikte, wat hij met tegenzin deed. Deze verklaring was cruciaal voor de chalcedoniërs, omdat zij vermenging wilden vermijden; miaphysieten daarentegen associëren zulke formuleringen vaak met nestorianisme.
    Eutyches, die invloedrijke connecties had, onder andere bij keizer Theodosius II via Chrysaphius, diende een beroep in bij Dioscorus van Alexandrië. In reactie daarop gelastte de keizer een nieuw concilie in Efeze om de zaak te herzien, waarbij Dioscorus als voorzitter instemde.

 

  • 449: Tweede Concilie van Efeze (ook wel bekend als de "Roverssynode" door de aanhangers van Chalcedon)
    Dioscorus leidde het concilie, waarbij Eutyches werd gerehabiliteerd en opnieuw toegelaten tot de Kerk. Vandaag de dag beschouwen beide tradities Eutyches als een ketter. Echter, miaphysieten beweren dat Dioscorus hem herstelde onder het voorwendsel dat Eutyches tijdens het concilie een orthodoxe geloofsverklaring aflegde.
    Het concilie werd tevens aangewend om af te rekenen met aanhangers van de leer van de twee natuurheden en degenen met vermeende nestoriaanse sympathieën. Dit leidde tot de afzetting van verschillende bisschoppen.
    Conform de canonieke regels heeft een bisschop doorgaans recht op drie kansen om zich te verdedigen. De patriarch van Antiochië, Domnus II, werd echter afgezet zonder enige verdediging. Flavianus van Constantinopel kon zich niet effectief verdedigen en werd onterecht afgezet. Hij overleed kort daarna in ballingschap, mogelijk door verwondingen; chalcedonische bronnen noemen geweld gepleegd door Dioscorus' troepen, terwijl miaphysitische bronnen de details betwisten maar de onrechtmatige afzetting erkennen.
    De Tome van Leo, een brief van paus Leo I aan Flavianus met de duidelijke leer van de twee natuurheden, werd niet voorgelezen, hoewel dit vereist was. Hierdoor verwierp paus Leo de beslissingen van 449 en verklaarde hij het concilie ongeldig en oncanoniek.

 

  • 450
    Keizer Theodosius II stierf plotseling na een val van zijn paard. Zijn opvolger, Marcianus, met de steun van Pulcheria, zocht naar politieke allianties met het Westen. Via paus Leo verkreeg hij inzicht in de aanzienlijke onvrede binnen de westerse Kerk over de gebeurtenissen van 449 en de rehabilitatie van Eutyches, wat veel verwarring veroorzaakte.

 

  • 451: Concilie van Chalcedon
    Een nieuw oecumenisch concilie werd bijeen­geroepen om de ketterij van Eutyches definitief te veroordelen en de leerstellingen van Nestorius opnieuw te verwerpen.
    Dioscorus werd afgezet, mede vanwege zijn rol in 449, en werd geëxcommuniceerd. Alle besluiten van het concilie in 449 werden ongeldig verklaard.
    Controversieel was dat enkele eerdere medestanders van Nestorius, zoals Theodoret van Cyrus, weer in hun positie werden hersteld, maar alleen na een expliciete afzwering van de leer van Nestorius.

 

  • 451–553
    In deze periode wisselden de patriarchen in het Oosten elkaar af: sommigen accepteerden het Concilie van Chalcedon, terwijl anderen het verwierpen. Er werden verschillende pogingen gedaan om tot een compromis te komen, waaronder het Henotikon (482) van keizer Zeno. Dit edict veroordeelde zowel Nestorius als Eutyches expliciet en bevestigde de twaalf anathemata van Cyrillus. Tegelijkertijd week het af van een definitieve uitspraak over de vraag of er één of twee naturen zijn, in de hoop de eenheid te behouden, vooral in de miaphysitisch georiënteerde provincies zoals Egypte, Syrië en Palestina. Hoewel deze maatregel leidde tot tijdelijke eenheid, werd het uiteindelijk afgewezen door Rome in wat bekendstaat als het Acaciaanse schisma, en faalde het in zijn opzet.
    Onder het bewind van keizer Justinianus I (527–565) werd er een duidelijke koerswijziging doorgevoerd met betrekking tot alles wat als nestoriaans werd beschouwd, met als doel de kerkelijke eenheid in het rijk te bevorderen. Justinianus dwong de antichalcedoniërs, zoals Severus van Antiochië, niet om Chalcedon expliciet te aanvaarden, maar hij eiste wel dat zij stopten met het veroordelen van de tegenstanders van Chalcedon en de tweenaturen-formule, een concept dat door eerdere kerkvaders werd gebruikt.
    De voorgangers van Severus weigerden dit ultimatum en werden daarop verbannen. Severus zelf werd een van de meest uitgesproken figuren, waardoor het voor zijn invloedrijke tegenstanders bijna onmogelijk werd om nader tot elkaar te komen. Hierdoor richtten de antichalcedoniërs parallelle hiërarchieën op, wat uiteindelijk leidde tot de definitieve scheuring tussen de Oriëntaals-Orthodoxe kerken en de Chalcedonische, Byzantijns-Orthodoxe en Katholieke Kerk.

 

 

Auteur: Kolya Baal

Edit: Nikola Romanov

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.